Premievaststelling 2011: een nieuw evenwicht

Premievaststelling 2011: nieuw evenwicht

DVP1812165

Waarom de dekkingsgraden onder druk staan, is bekend: de gedaalde rente, de toenemende levensverwachting en de stagnerende aandelenbeurzen. Een aantal pensioenfondsen zal moeten besluiten de opgebouwde aanspraken en ingegane pensioenen te verlagen. Tegelijk zien we de komende jaren waarschijnlijk een herstel van de economie en financiële markten. Binnenkort stellen de besturen de premie voor 2011 vast. Ruimte voor premieverhoging is er niet of nauwelijks. Hoe vinden we een evenwicht tussen verwachtingen en onzekerheden?

Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de lange rente stijgt naar 3,75% in 2011. Dat is goed nieuws voor pensioenfondsen. In de economie is ruimte voor enige groei. Via het wegwerken van overcapaciteit zal op termijn een opwaartse druk op inflatie en rente ontstaan. In dit klimaat zijn ook positieve aandelenrendementen te verwachten. Stijgende aandelenkoersen en stijgende rente zullen – afhankelijk van de mate waarin de rentegevoeligheid is afgedekt – de dekkingsgraden positief beïnvloeden. Keerzijde daarvan is een hogere inflatie, wat de koopkracht van de uitkeringen kan aantasten.

Syntrus Achmea onderschrijft de CPB-verwachting van stijgende rente. Daarnaast rekenen we niet op een verslechtering van de economische omstandigheden, maar juist op economisch herstel. Dit gaat echter traag en de groeicijfers zijn waarschijnlijk niet hoog. Dit betekent op termijn een licht oplopende inflatie. De lage economische groei vertaalt zich verder in lage, maar positieve rendementen in vrijwel alle beleggingscategorieën. Zo zullen reorganisaties bij ondernemingen leiden tot toenemende winstgevendheid en een gezondere financiële basis.

Premiestijging Door de gestegen levensverwachting neemt de kostendekkende premie toe met circa 8%. Ook bij premievaststelling speelt het dilemma tussen de gedaalde rente en de onzekerheid over toekomstige rentestanden en rendementen. Nemen we de gedaalde rente mee in de vaststelling van de kostendekkende premie? Dan resulteert een stijging van de kostendekkende premie in veel gevallen met meer dan 25% ten opzichte van 2010.

Bij het vaststellen van de kostendekkende premie gaat men in veel gevallen uit van een verwacht rendement van minimaal 4%. De 20-jaarsrente is echter gedaald van 4,2% (eind 2009) tot 2,8% (eind augustus 2010). Deze ongekende rentedaling leidde tot een verdere daling van de dekkingsgraad. Ook bij de fondsen die het renterisico grotendeels hebben afgedekt. Als de premie uitgaat van een verwacht rendement van 4% en de verplichtingen worden contant gemaakt met 2,8%, dan is de betaalde premie ontoereikend. De rendementsverwachtingen voor aandelen en andere zakelijke waarden zijn in de nieuwe parameters van DNB weliswaar verlaagd, maar liggen nog beduidend hoger dan 4%.

De toezichthouder staat een kostendekkende premie toe op basis van verwachte rendementen. Wel geldt daarbij de eis dat de betaalde premie in geval van onderdekking dient bij te dragen aan verder herstel. Bij de huidige rentestand zal een premie van 4% niet bijdragen aan herstel. Deze zal leiden tot een verdere daling van de dekkingsgraad met zo’n 1 tot 2%, afhankelijk van de rijpingsgraad van het fonds.

Premiedruk lenigen Hier ligt de nieuwste uitdaging voor pensioenfondsbesturen en sociale partners. Op de korte termijn ligt de rente erg laag. De economische verwachtingen worden langzaamaan beter. Ze rechtvaardigen op termijn wellicht een hogere rekenrente dan de huidige lage marktrente. Daarbij speelt ook de toezichthouder een rol: welke mogelijkheden krijgt een fondsbestuur om af te wijken van de huidige lage rente? De oplossing is niet eenvoudig of eenduidig. Fondsen zullen moeten proberen om de premiedruk lenigen. Via een lager opbouwpercentage, een hogere franchise, een verdere versobering van de pensioenregeling of een combinatie van deze mogelijkheden.

Zijn we te voorzichtig? In de markt klinken signalen dat de huidige rente welhaast onrealistisch laag ligt. Maar volgens Syntrus Achmea zijn de rendementsverwachtingen voor 2011 niet zodanig dat we nu al kunnen uitgaan van optimistische scenario’s. Een premie gebaseerd op een lagere rekenrente dan 4% ligt daarmee in lijn.

We moeten dus op zoek naar een nieuw evenwicht tussen ambitie, zekerheid en kosten. Te beginnen bij de vaststelling van de premie 2011. De rente staat historisch laag en nieuwe overlevingstafels zorgen voor stevige druk op de pensioenpremies. Pensioenfondsbesturen en de sociale partners staan voor het dilemma van de huidige situatie en de onzekerheid over het herstel in de toekomst. Daarbij is het verleidelijk om te wijzen op verwacht economisch herstel. Het is echter te vroeg om dit herstel al mee te nemen in de premie voor 2011.

Twan van Erp