In de discussies rond het pensioenakkoord speelt de wijze van waarderen van pensioenverplichtingen een centrale rol. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het huidige FTK, het aangescherpte nominale kader (FTK1) en het nieuwe reële kader (FTK2). Het huidige contract suggereert een nominale toezegging, terwijl het (beleggings)beleid gericht is op een reële ambitie. Daardoor resulteert noodgedwongen een 'zachte' reële pensioenaanspraak. Deze kloof tussen perceptie en realiteit wordt door het pensioenakkoord goed weggewerkt. Het definitieve toetsingskader wordt echter niet op korte termijn ingevoerd. Syntrus Achmea stelt daarom met andere uitvoeringsorganisaties en de Pensioenfederatie voor om - in aanloop naar het nieuwe kader - al een aantal verbeteringen door te voeren. Concreet gaat het over de disconteringsvoet van de verplichtingen. Syntrus Achmea stelt voor de ‘UFR-methodiek’ en een ‘beleidsdekkingsgraad’ te introduceren. Hierdoor wordt de vorm van de swapcurve voor lange looptijden genormaliseerd en wordt de dekkingsgraad over een langere tijd gemiddeld, zodat beleidsconsequenties niet gebaseerd worden op één peildatum.
Nadelen huidige waarderingsmethodiek
Syntrus Achmea doet deze suggestie, omdat er een aantal nadelen kleeft aan de huidige waarderingsmethodiek. Het hanteren van de risicovrije marktrente suggereert dat de verplichtingen risicovrij zijn. Het pensioenproduct is dat echter niet, noch in reële termen, noch in nominale termen. De beweeglijkheid van de swaprente is erg hoog en de vorm van de rentecurve is onlogisch. Dit komt door de mismatch tussen enerzijds het beperkte aanbod en anderzijds de grote vraag naar swap-produkten. Ook wordt de huidige stand van de rente meer bepaald door politieke factoren dan louter marktfactoren. Dat maakt het op dit moment moeilijk uit te leggen waarom grote consequenties verbonden kunnen zijn aan de actuele stand van de swaprente op één vaste peildatum.
Logisch en eerlijk verband
Het huidige contract wordt in feite als een 'zacht' reëel en dus een FTK2 contract beheerd. In het FTK2 mag - vanwege de expliciete voorwaardelijkheid - gewerkt worden met een opslag op de risicovrije reële rente, en eventueel met dempingmechanismen. Syntrus Achmea is van mening dat er een logisch en eerlijk verband dient te bestaan tussen de prijs van het pensioenproduct (de premie), het risico ervan (de indexatiekwaliteit en de kans op nominale rechtenkorting) en de huidige waarde die aan toekomstige uitbetalingen wordt gegeven. Syntrus Achmea denkt dat de sector gebaat is bij een waardering van de verplichtingen die beter aansluit bij de aard van het product.
Syntrus Achmea stelt de volgende maatregelen voor:
1. Introduceer de Ultimate Forward Rate-methodiek (UFR). Deze maatregel normaliseert de vorm van swapcurve voor lange looptijden. Daardoor zijn de uit deze curve afgeleide forwardrentes bruikbaar voor de verplichte risico-analyses en de consistentietoets voor de toezichthouder. De hoogte van deze rente kan worden gebaseerd op het advies van de commissie parameters die uitging van 4%. De looptijd die bij deze UFR hoort is erg lang. Daarom ligt een waarde tussen 4,0% en 4,5% voor de hand. Wij adviseren vooralsnog geen opslag op de gehele curve te introduceren, omdat er nog te veel onduidelijkheid is rond het nieuwe FTK en de waardering van de verplichtingen.
2. Introduceer een middeling van dekkingsgraad - of van alleen de verplichtingen - van minimaal een jaar. Middeling levert een bijdrage aan de stabiliteit van het stelsel. Onze voorkeur gaat uit naar middeling in de vorm van een ‘beleidsdekkingsgraad’. Hierbij worden beleidsconsequenties niet gebaseerd op de dekkingsgraad van één moment (bv. 31 december) maar op het gemiddelde van bijvoorbeeld het voorgaande jaar.