Begrippenlijst K-L
K
Kapitaal
Het vermogen dat wordt gereserveerd om in de toekomst opgebouwde pensioenaanspraken uit te kunnen betalen.
Kapitaalakkoord (van het Bazel Comité, 1988)
Het toezicht op banken is voornamelijk gebaseerd op nationale toezichtswetten en afspraken die zijn gemaakt in het Bazelse Comité. Dit college van toezichthouders uit de G10-landen, waaronder Nederland, is in 1974 opgericht in reactie op de Herstatt-crisis in het internationale betalingsverkeer en op de toenemende internationalisatie van banken. In 1988 is in het zogenaamde Bazelse Kapitaalakkoord een wereldwijde standaard die is vastgesteld voor minimale kapitaal- of solvabiliteitseisen (een verplichte buffer van eigen vermogen) voor het kredietrisico van banken. Krediet- of tegenpartijrisico is naast fraude en mismanagement het belangrijkste risico voor het voortbestaan van banken.
Kapitaaldekkingsstelsel
Bij kapitaaldekking moeten in beginsel voor iedere individuele deelnemer voldoende middelen aanwezig zijn om, samen met de nog te verwachten premies, de toekomstige pensioenuitkeringen te dekken. Hierbij worden op individuele basis reserves gevormd voor de eigen pensioenuitkeringen (in tegenstelling tot het omslagstelsel). De Pensioenwet schrijft deze financieringswijze voor.
Kapitaalovereenkomst
Een overeenkomst waarbij een kapitaal wordt vastgesteld. Op de pensioendatum wordt van dit kapitaal een pensioenuitkering aangekocht.
Kapitaalverzekering
Een levensverzekering waarbij de prestatie van de verzekeraar vaststaat, ongeacht of er een bedrag ineens wordt uitgekeerd of een vast aantal termijnen.
Kerninflatie
Inflatie (stijging van het algemeen prijsniveau) waaruit de prijsontwikkeling van energie en voeding is verwijderd, omdat deze over het algemeen wordt beschouwd als volatiel.
Kind
Als kinderen van een deelnemer gelden: eigen kinderen of stief- of pleegkinderen die als eigen kind worden onderhouden en opgevoed. Een kind kan tot een bepaalde leeftijd in aanmerking komen voor wezenpensioen. Uitkering vindt plaats na overlijden van de deelnemer.
Koopsom
Een eenmalige betaling om een pensioenaanspraak in te kopen bij de uitvoerder van een pensioenregeling. De eenmalige betaling van een koopsom dient hetzelfde doel als de periodieke betaling van premies, namelijk de financiering van pensioenen.
Koopsomvrijstelling
Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Bij toekenning neemt het pensioenfonds de premiebetaling voor zijn rekening en wordt de pensioenopbouw voortgezet. Een en ander uitdrukkelijk volgens de voorwaarden van het pensioenreglement.
Korte rente
Rente op leningen met een looptijd die korter is dan twee jaar.
Krediet-rating
De kredietwaardigheid van een uitgever van een obligatie wordt uitgedrukt in verschillende ratings:
SOV: sovereign, dit zijn staatsobligaties.
SSO: sub-Sovereign, dit zijn obligaties die staatsgerelateerd zijn.
Col: collateralized, dit zijn obligaties met een zakelijk onderpand, veelal hypotheken.
AAA: corporates (bedrijfsobligaties) met een AAA-rating.
AA: corporates met een AA-rating.
A: corporates met een A-rating.
BBB: corporates met een BBB-rating.
L
Lange rente
Rente op leningen met een looptijd die langer is dan twee jaar.
Levensjarenregeling
Een eindloonregeling waarbij over salarisverhogingen niet alleen pensioen wordt gegeven over de daadwerkelijke dienstjaren, maar ook over de daarvoor liggende levensjaren (meestal vanaf 25 jaar). Op grond van fiscale wetgeving is toepassing van deze regeling niet meer toegestaan.
Leverage
Een Engelse term voor hefboom. Een belegger die gebruik maakt van leverage, werkt met geleend geld.
Loongegevens
Specificatie van de arbeidsverhouding tussen deelnemer (werknemer) en werkgever en van de geldelijke vergoeding voor verrichte arbeid.